De Volkskrant naar Noord-Korea met Your Planet

Theater Noord-KoreaOp 15 april 2012 vierde Noord-Korea de 100e geboortedag van President Kim Il Sung, een bijzonder eeuwfeest. Journalistiek Nederland stond te popelen om hierbij te zijn. Maar Noord-Korea houdt normaal gesproken de deur dicht voor journalisten. 

Door de jaren heen bouwden wij een bijzondere relatie op met onze Noord-Koreaanse partners. Hierdoor lukte het ons om Toine Heijmans, schrijver en journalist voor de Volkskrant, mee te nemen op reis. Naar aanleiding van deze reis schreef hij diverse reportages en artikelen. 

Hieronder lees je de uitgebreide reportage die in de zaterdageditie van de Volkskrant verscheen.

Meer media artikelen

Maar het volk is gelukkig

Een gevangenis voor 25 miljoen mensen, wordt Noord-Korea wel genoemd. ‘Ons land is arm’, maar toch zijn in Pyongyang, de showroom van het regime, de eerste sporen van het kapitalisme te vinden.

De ene gids heet mr. Kim, de ander mr. Sun – aardige, voorkomende mannen die werkelijk hun best doen hun vaderland te laten zien.

Waarom is het zo donker in Wonsan, mr. Kim? ‘We sparen elektriciteit, zodat we het kunnen gebruiken zoals ons is gezegd door onze kameraad, de eeuwige president Kim Il-sung.’

Zoals de bewoners van Wonsan ‘s nachts op de tast en met zaklampen hun weg zoeken door de stad, zo reis je door het land. Je vangt er schetsen op van het leven, je maakt er duizend foto’s van en houdt een berg puzzelstukjes over die moeizaam passen. Je kunt er nauwelijks praten met mensen die je zomaar ziet op straat, maar iedereen, ook de militairen, ook de gezagsdragers in hun nette pakken, zoekt contact. Ze kijken je vrolijk aan, recht in je ogen, of pakken je bij de hand. Het is een warm volk, en niet de robots die je had verwacht.

Alles wat je ziet in Noord-Korea, elk vriendelijk mens dat je er tegenkomt staat tegenover de vreselijke verhalen die over het land worden verteld: de dictatuur, de werkkampen, de hongersnoden, de martelingen. Nothing to envy heet het boek dat de Amerikaanse journaliste Barbara Demick erover schreef op basis van getuigenissen van vluchtelingen. Dat boek legt een knoop in je hart. Het gaat over mensen die boomschors eten, die twintig uur per dag werken, over mensen die standrechtelijk door het hoofd worden geschoten omdat ze het koper stalen uit de bovenleiding van een trein die toch niet meer reed. Het gaat over de complete controle van de overheid over het individu – wie uit de maat loopt, komt op rapport van de inminban, de staatsverklikker die je buurman kan zijn, je zoon of je eigen vrouw.

En toch beschrijven de vluchtelingen in het boek van Demick ook hoezeer ze het leven in Noord-Korea normaal vonden, hoezeer ze de Leiders in hun hart droegen, en hoezeer ze de donkere avonden en nachten gingen waarderen.

Het wordt ochtend in Wonsan, de huizen krijgen vorm, de maan hangt nog even boven de wolkenkrabbers en uit luidsprekers komt marsmuziek. Kwart voor zes. Een metalen stem roept de bewoners op hun best te doen vandaag voor het land, voor de Grote Leider Kim Il-sung, voor de Geliefde Leider Kim il-Jong, en voor de nieuwe Hoogste Leider Kim Jong-un – niemand weet precies hoe oud hij is, of wat hij wil met het land waarvan hij de sleutel heeft.

Op een spandoek staat: LANG LEVE HET REVOLUTIONAIRE IDEE VAN PRESIDENT KIM IL SUNG!

Haastig gaan de Koreanen over straat, als snellopers, mannen maken de stoepen en de straten schoon, ze gooien blauwe emmers vol water leeg. Vrouwen vegen een parkje aan met bezems van takkebossen – één van hen kijkt omhoog, naar het balkon van het hotel waar de buitenlanders logeren. Ze recht haar rug en begint dan hard te zwaaien. Ze straalt. En als de andere vrouwen ook de buitenlander zien, zwaaien ze opgetogen mee.

Noord-Korea is een land dat schaduwen werpt. Maar tegelijk is het ook gewoon een land waar mensen leven.

Iedereen woont hier gratis, zegt mr. Kim. Het eten is ook gratis. Iedereen heeft werk. Aan alles is gedacht.

Pyongyang is het uithangbord, hier moet alles zijn zoals het hoort, trekken trams vonken van de bovenleiding, steken kosmopolitische hotels de hoogte in met hun draaiende restaurants en gigantische, lege lobby’s, rijden Volkswagens Passat rond en auto’s van Chinese makelij, en BMW’s. De verkeersagentes zijn speciaal geselecteerd op hun schoonheid, ze kleuren de straat in hun strakke hemelsblauwe uniformen met kokerrokken, waaronder ze witte sokjes dragen.

Ook de serveersters in de restaurants waar buitenlanders mogen komen, zijn fotomodellen.

Je ziet nauwelijks bejaarden in Pyongyang, en nog minder gehandicapten. Iedereen die hier woont, is gelukkig. ‘s Ochtends persen ze zich in groene, blauwe of rode trams, die kreunend door de bocht gaan, of ze lopen of fietsen naar hun werk: de brede trottoirs vol haastige en gedecideerde mensen. Als het regent openen ze hun paraplu’s, en lijkt het alsof de straat vol bloesem is.

In rode neonletters: PYONGYANG IS HET HART VAN KOREA!

De Geliefde Leider Kim Jong-il hield van pretparken, en daarom is er een permanente kermis in Pyongyang. Het is er vol met kinderen, die in groepjes de achtbaan of de hal met speelautomaten bestormen. Ze zien er welvarend uit; sommigen dragen sneakers van Adidas en Puma, en de baseballpetjes staan schuin op hun hoofd, precies als in de Amerikaanse films die ze mogen bekijken. Ze dragen mobiele telefoons aan koordjes om hun nek – twee miljoen Noord-Koreanen hebben een mobiele telefoon, die alleen in hun eigen land werkt – de kinderen fotograferen en filmen elkaar met hun mobieltjes zoals kinderen dat overal doen.

Ze bestellen popcorn bij een kraam. Ze pakken je hand en trekken je mee naar de botsauto’s, of naar de schiettent.

Pyongyang verandert opzienbarend snel. Leonieke Glasbergen weet niet wat ze ziet als ze er na vier jaar terug is: de brede boulevards en zesbaans-wegen, vaak mikpunt van spot omdat ze toch niet werden gebruikt, zijn nu vol auto’s. De stad is beter verlicht dan ooit; ‘s nachts pronken rode neonletters met uitroeptekens erachter op nieuwe flats.

WIJ KOREANEN BESLISSEN ZELF WAT WE DOEN, DUS DOEN WE HET!

Er is zelfs een reclamebord in Pyongyang, in het land waar handel verboden is, en kapitalisme een duivels systeem. Er wordt een auto op aangeprezen die samen met de Zuid-Koreanen is gemaakt en ‘Pyonghwa’ heet – vrede.

Leonieke Glasbergen leert met haar Hilversumse reisorganisatie Your Planet Travel buitenlanders het land kennen. ‘De stad is de afgelopen jaren heel snel modern geworden’, zegt ze, ‘en niet alleen de stad, maar ook de mensen die er wonen. Zelfs de gidsen die je mee krijgt op reis zijn ontspannen.’

Langzaam gaat het land verder open voor toeristen; het is al mogelijk naar steden in het noorden te reizen, die voorheen hermetisch werden afgeschermd. Toerisme is voor Noord-Korea een bron van deviezen die het hard nodig heeft, maar het is ook een manier om de wereld iets te laten zien van het leven zoals zij dat kennen.

Amerika is de grote vijand van Noord-Korea, maar in Pyongyang lopen tijdens een grote militaire parade gewoon Amerikaanse toeristen rond. Ze krijgen dezelfde nieuwsgierige blikken als elke andere buitenlander.

Leonieke Glasbergen heeft een iPad bij zich die ze onderweg in een busje naar Wonsan laat zien aan haar gids mr. Kim. Mr. Kim – nog geen dertig, afgestudeerd in foreign studies, drie jaar militaire dienst op het platteland van Noord-Korea en nu een paar jaar gids voor buitenlanders – neemt de iPad in zijn handen, zet hem aan en begint Angry Birds te spelen alsof hij het dagelijks doet.

Waar heb je dat geleerd, mr. Kim? Hij geeft een grijns als antwoord.

Misschien dringt de buitenwereld verder door in Noord-Korea, dan je had verwacht.

Langs de straten van de provinciesteden Wonsan, Nampo en Sariwon zitten vrouwen op een kleedje, achter een mand met bloemen of achter een stapeltje appels. Handel is verboden in Noord-Korea, waar de staat zorgt voor iedereen en waar niemand wat tekort komt, maar onder druk van de grote hongersnood in de jaren negentig is er een grijze economie ontstaan, zichtbaar voor iedereen die er in de buurt kan komen en er oog voor heeft.

In Wonsan is een woonhuis deels omgebouwd tot sigarettenwinkel – de pakjes hangen aan de openstaande voordeur. In het centrum van Sariwon staan marktkramen en aan de stadsgrens van Nampo hebben die kramen ‘s avonds zelfs neonverlichting, terwijl de rest van de stad grotendeels in duister is gehuld.

Vraag het aan de gidsen en ze ontkennen dat er iets wordt verkocht op straat – ‘Die spullen geven ze weg’, zegt mr. Kim – maar zijn gezicht verraad dat hij beter weet. Het zijn sporen van kapitalisme in een land dat het hardst van alle communistische landen vasthoudt aan zijn doctrine, en tegelijk uit lijfsbehoud probeert buitenlandse investeerders te trekken. De oude vrienden Rusland en China zijn allang afgehaakt als sponsors, het land is meer dan ooit op zichzelf aangewezen in een wereld die alleen maar groter wordt. Het is opmerkelijk hoe lang het zich staande heeft gehouden, als communistisch eiland, terwijl gelijkgestemde landen één voor één andere wegen kozen.

Hoe snel Noord-Korea verandert, hoe ver het al op weg is naar een comfortabeler positie in de wereld is amper te overzien. Maar de jonge Noord-Koreanen hebben het er wel over, stiekem soms, als je er voorzichtig naar vraagt. Sommigen hopen dat hun land de weg van China kiest waar communisme en kapitalisme schijnbaar moeiteloos hand in hand gaan. Ze hopen op daadkracht van hun nieuwe, jonge leider Kim Jong-un. Ze hopen, vooral, op veel meer aandacht voor de economie.

Waarom zijn sommige Noord-Koreanen rijker dan anderen, mr. Sun? Waarom rijden sommigen in een BMW X6, en anderen niet?

Mr. Sun houdt zijn hand omhoog en zegt: ‘Sommige Koreanen werken harder dan andere. Ze geven het land meer allure, en worden daarvoor beloond. Het is net als met mijn hand: niet alle vingers zijn even lang.’

Plotseling houdt Pyongyang op en beginnen de akkers die de stad omgeven. Vanaf hier geen foto’s meer. Checkpoint volgt na checkpoint, bewaakt door steile militairen. Niemand mag zonder toestemming zijn stad of dorp verlaten. Dat wordt goed gecontroleerd. In die zin is het land een gevangenis voor 25 miljoen mensen.

Op de landbouwgrond staan twee blauwe trekkers met een houten opbouw, zo hoog dat ze om lijken te vallen. Ze komen uit de Sovjet-Unie en zijn waarschijnlijk gebouwd in de jaren vijftig, maar desondanks gewild. Trekkers en andere landbouwmachines zijn een bezienswaardigheid in Noord-Korea; het land wordt er meestal bewerkt met ossen en met houten ploegen, of door de mensen die voren in de grond maken met een schop, of met een kleine hak.

Overal op de velden lopen mensen, geconcentreerd en met gekromde ruggen, hun fietsen netjes in de berm. Ze sprokkelen hout, ze dragen een juk met emmers water, en putten kracht uit de vrolijk wapperende rode vlaggen en borden die in het landschap zijn opgericht:

KIM JONG IL ZEGT: ONS LAND IS ALS EEN TAPIJT VAN GOUD!

De landbouw moet de Koreanen voeden, maar er is geen vruchtbaar land. Vooral in het bergachtige noorden is boeren lastig, maar bij Wonsan en bij Sariwan, in het zuidoosten en zuidwesten, is de grond goed en zijn er mooie, vlakke stukken.

Alles is er tot het uiterste verkaveld. Geen millimeter grond blijft ongebruikt; in rivierbeddingen, naast treinsporen, tot bijna op het strand maken de Noord-Koreanen hun land bouwrijp. De akkers zien eruit alsof ze netjes zijn gekamd. Rijstveldjes worden gekoesterd alsof er diamanten groeien. En op het land zijn zoveel mensen, dat het een vlucht neergestreken vogels lijkt.

Het grootste probleem van de landbouw in Noord-Korea, zegt miss Kim van de coöperatieve modelboerderij Migog, bij de stad Sariwon, is brandstof. ‘Zonder brandstof kunnen de tractoren niet rijden, dan moeten we het met ossen doen.’

Later zullen mr. Sun en mr. Kim allebei eerlijk zeggen: ‘Ons land is arm’. Zes miljoen mensen in Noord-Korea hebben voedselhulp nodig, volgens de Verenigde Naties. Eenderde van alle kinderen is ondervoed. Gebrek aan brandstof houdt het land gegijzeld; de legertrucks die over de brede wegen rijden, hebben een vergasser aan boord waarin ze hout en maïs verbranden – soms zie je ze stoppen om langs de weg takken te verzamelen, en dan rijden ze verder in een grote wolk, stomend en dampend, een kampvuur in de laadbak.

Het is armoede, maar niet de armoede die je ziet in India, in China of in Afrika. Daar is het te geordend voor. Wat je nooit kunt zeggen, is dat ze hun best niet doen in Noord-Korea. Er straalt trots van hun inventiviteit. Het zijn vooral trotse en warme mensen die je er tegenkomt, opmerkelijk warm voor een volk dat zo’n zware geschiedenis torst.

Migog is een van de succesvolste boerderijen van het land, persoonlijk tot modelbedrijf verklaard door de Grote Leider en de Geliefde Leider die moderne tractoren schonken en geregeld een bezoek brachten om er wijze adviezen te geven die onverwijld werden uitgevoerd – de foto’s hangen in een aan hen gewijd museum. De boerderij werkt als een sovchoz; de drieduizend mensen die er wonen zijn opgedeeld in teams die doelen moeten halen – dat werkt heel goed, zegt miss Kim trots: de oogst aan rijst en abrikozen groeit elk jaar.

Achthonderd hectare landbouwgrond heeft Migog, en de witte huizen van het dorp staan er in slagorde bij elkaar. De landarbeiders en hun gezinnen wonen er geheel verzorgd, en elk huizenblok heeft een lapje grond waar groenten worden geteeld voor eigen gebruik. In huisje 20 heeft miss Lee de televisie aangezet. Haar huis omvat twee kamers en een keuken; de dunne matten waarop ze met haar man en kinderen slaapt, liggen opgerold in een hoek. De keuken is goed voorzien, en heeft vloerverwarming volgens een systeem dat algemeen wordt toegepast in Noord-Korea.

Miss Lee spreekt geen Engels en kan daarom niet met haar gasten praten, maar als ze met je mee het huis uit loopt pakt ze je arm vast, knijpt erin, en begint hartelijk te schaterlachen.

In Pyongyang is een botanisch museum opgericht ter ere van twee bloemen. Het is een groot museum met een uitgekiend systeem voor klimaatbeheersing, er lopen mooie meiden rond in roze jurken die je er rondleiden terwijl ze spreken in een microfoontje dat kunstig voor hun mond is gemonteerd. Ze vertellen gepassioneerd over de belangrijkste bloemensoorten van het land: de Kimilsungia en de Kimjongilia, een paarse orchidee en een rode begonia. Die bloemen worden vereerd als waren ze de Leiders zelf.

Miss Cho, de gids die perfect Amerikaans Engels spreekt, raakt tijdens de rondleiding geëmotioneerd. Ze zegt: ‘Sorry, in dit werk leg ik alle gedrevenheid en passie die ik in me heb’, iets wat meer Noord-Koreanen doen: tot het uiterste gaan.

Ze staat stil bij een aquarium met goudvissen erin van een soort die door Kim Jong-il is gekweekt. ‘Als de vissen hun vinnen bewegen’ zegt ze, ‘is het volk gelukkig.’

Noord-Korea is twee boeken van George Orwell tegelijk: het is de communistische heilstaat uit Animal Farm, waarin sommigen gelijker zijn dan anderen, en het is de controlestaat uit 1984, waarin privacy niet bestaat en de geschiedenis wordt herschreven als dat nodig is.

Elke rechtgeaarde Noord-Koreaan draagt een rood speldje op zijn hart met de beeltenis van de Grote Leider of van de Geliefde leider of van allebei. Het is moeilijk te beschrijven hoe de verering van de Leiders is gecultiveerd. Dat gaat verder dan de standbeelden alleen, de plaquettes, de spandoeken en de billboards – hij zit verankerd in de hoofden van de mensen als een orthodox geloof. Kim Il-sung heeft zijn charismatische leiderschap zo persoonlijk gemaakt, zo minutieus geïnjecteerd in het dagelijks leven van de Koreanen, dat het alomtegenwoordig is.

De Eeuwige President Kim Il-sung, die al jong vocht in de guerrillaoorlog tegen de nietsontziende Japanse overheersing van Korea, bedacht na de Tweede Wereldoorlog een communistisch systeem dat voortborduurde op oude tradities in het land, de Juche-filosofie. Zo heeft hij Noord-Korea vorm gegeven. De Juche-idee streeft naar een zo groot mogelijke onafhankelijkheid van de rest van de wereld, en stelt niet het individu centraal maar het collectief, dat wordt geleid door een Grote Leider. Het is een denkwijze die communisme combineert met oosterse modellen als het confucianisme, dat van oudsher belangrijk is in Korea en een nadruk legt op het eren van de Vader.

Het systeem heeft wortels die veel verder teruggaan, het wordt gedragen door een collectief trauma over de Japanse bezetting, de verdeling van Korea in Noord en Zuid, en door de Koreaanse oorlog waarbij het land door de Amerikanen werd plat gebombardeerd.

De verering van de Leiders, het massale verdriet bij het overlijden van Kim Il-sung en Kim Jong-il, heeft ook met dat gevoel te maken. En met de wijze waarop de Noord-Koreanen worden opgevoed – op school al leren vijfjarigen de biografie van de Kims uit hun hoofd – en elk uur van de dag worden gewezen op de goede daden van de dynastie.

Tegenwoordig begint de jaartelling in Noord-Korea bij de dag dat Kim Il-sung werd geboren. Elke huiskamer in het land heeft portretten van Vader en Zoon aan een verder kale muur, die dagelijks ritueel worden afgestoft met een doek die alleen dat doel mag dienen. Elke stad, elk dorp heeft bedevaartsplekken: De Boom waar de Grote Leider naast stond toen hij een belangrijk advies gaf, De Trein waarmee hij na de oorlog uit Rusland kwam, Het Hotel waarin hij twee nachten sliep, Zijn Geboortehuis, Het Meer waar Zijn Vrouw met één schot een eend raakte (op 245 meter afstand). Alles heeft een verhaal, zoals heiligen ook altijd een verhaal hebben. Al die plekken dwingen eerbied af bij de Noord-Koreanen die ze bezoeken.

Een van de hoogtepunten is de International Friendship Exhibition in Mount Myohyang, een prachtig berggebied 150 kilometer van de hoofdstad, waar alle cadeaus zijn verzameld die Kim Il- sung tot nu toe kreeg van staatshoofden, bedrijfsleiders en andere belangrijke vrienden uit de wereld. 111.093 cadeaus uit 184 landen, tentoongesteld in een kasteel met metershoge bronzen deuren die zo goed zijn uitgebalanceerd dat je ze open kunt maken met een pink. Het kasteel heeft tweehonderd marmeren zalen, ingericht als schatkamers en met elkaar verbonden door lange, tl-verlichte gangen.

De jonge soldaten die door de marmeren gangen schuiven, twee aan twee, op pantoffels, sommigen hebben hun vrouwen meegenomen in traditionele jurken van surrogaatzijde, kijken alsof ze in een tempel zijn. Bedremmeld komen ze de gigantische ruimte binnen waarin een wassenbeeld van Kim Il-sung is opgesteld in een decor van bloemen, planten, bomen, vogels en rivieren. Een eenvoudige, minzame, vaderlijke man in een grijs pak. Er is muziek, en er is de suggestie dat het werkelijk Kim is die hier staat. De militairen en hun vriendinnen lopen verlegen naar voren, stellen zich op in een perfecte rij en buigen simultaan voor de Grote Leider – de gezichten uitgestreken en gelukkig, vervuld van het gevoel op een belangrijke plek te zijn in het centrum van de wereld.

Het is onhandig om daar als buitenlander tussen te staan.

Is het mogelijk de eigen wil van een mens weg te programmeren?

Als miss Cho Miss klaar is met haar rondleiding door het botanische museum van Pyongyang, brengt ze haar gasten naar de uitgang en loopt dan mee naar buiten, het plein op, naar de kleine bus van de buitenlanders. De wind heeft vat op haar roze jurk. Ze vertelt dat ze zichzelf haar Amerikaanse accent heeft aangeleerd door steeds maar weer films te kijken als The Sound of Music, en alle woorden eindeloos te herhalen. Ze haalt een pen tevoorschijn en een dagboekje, waarin de namen staan van alle buitenlanders die ze tegenkwam. Ze zegt: ‘Dit boekje is het belangrijkste dat ik heb.’

Meer media artikelen